1: De initiële situatie
-
“Er is een kamer met 50 mensen.” -> Er zijn 50 mensen aanwezig.
-
“Ik ga een kamer binnen…” -> De verteller (“Ik”) stapt de kamer binnen.
-
Cruciale vraag: Zat de verteller al bij die 50 mensen, of komt de verteller er als extra persoon bij?
-
Taalkundig gezien stapt “Ik” een kamer binnen waarin zich al 50 mensen bevonden. Dat brengt het totale aantal levende personen in de kamer op 51 ($50 + 1$).
Stap 2: De moordenaar komt binnen
-
“Een moordenaar loopt binnen…” -> De moordenaar betreedt
-
-