of trots. Ze leek onzeker.
“Ik denk,” zei ze zacht, “dat ik nooit echt heb gezien hoeveel geluk hij met jou heeft.”
Ik keek haar aan.
Het was geen grote verontschuldiging. Geen lange uitleg. Geen moment waarin alles ineens opgelost was.
Maar het was wel de eerste keer dat ze iets zei wat niet bedoeld was om mij te kwetsen.
Ik ademde diep in en antwoordde rustig:
“We zijn familie. En we worden alleen sterker als we elkaar steunen in plaats van elkaar kleiner te maken.”
Ze knikte langzaam.
Haar